Hoofdstuk 1

Het hoofdstuk begint met de volgende vraag: ‘Is de mens in zijn denken en handelen een geestelijk vrij wezen, of staat hij onder dwang van een onwrikbare noodzakelijkheid, die zuiver het karakter van een natuurwet vertoont?’ (Alinea 1) Steiner formuleert niet meteen een antwoord of zijn vrijheidsdefinitie, maar beschrijft de argumentatie van voorstanders en tegenstanders van de menselijke vrijheid.

Steiner begint zijn betoog met de volgende definitie: handelingsvrijheid is per definitie de mogelijkheid om tussen minimaal twee mogelijke handelingen willekeurig te kunnen kiezen. Deze definitie wordt echter niet door hem geaccepteerd, want er is altijd een beweegreden aanwezig waarom de mens de ene, dan wel de andere mogelijke handeling wil uitvoeren. De vraag is nu: dwingt deze beweegreden de mens tot het willen verrichten van die mogelijke handeling? Indien er sprake is van dwang (en/of drang), dan is handelingsvrijheid uitgesloten. Men zou kunnen zeggen dat Steiner’s vrijheidsdefinitie voorlopig de afwezigheid van dwang (en/of drang) behelst.*

Tegenstanders van de handelingsvrijheid van de mens menen nu dat de mens zich bewust kan zijn van de handeling die hij wil uitvoeren en daarom veronderstelt dat hij vrij is, maar dat de mens zich niet bewust is van de beweegreden (oorzaak) voor de gewilde handeling. Bijvoorbeeld: ik begeer een kop koffie te drinken, maar ik weet niet waarom ik begeer een kop koffie te drinken. Volgens tegenstanders van de menselijke vrijheid oefenen deze onbewuste beweegredenen een dwang op de mens uit, om die reden is de mens niet vrij.

Steiner gaat hierin niet mee. Hij is van mening dat mensen zowel een bewustzijn kunnen hebben van de gewilde handeling, alsook van de beweegreden voor die gewilde handeling. Als een mens zich niet bewust is van de beweegreden van een gewilde handeling, dan is die mens volgens Steiner per definitie niet vrij. Maar hoe zit het nu met gewilde handelingen waarbij de mens zich wel bewust is van die beweegredenen. Een bewustzijn hebben van die beweegreden veronderstelt dat de mens weet wat zijn beweegreden is. Weten veronderstelt dat de mens heeft nagedacht over zijn beweegredenen. ‘Men zegt: vrij is de mens wanneer hij slechts onder de heerschappij van zijn rede (…) staat.’ (Alinea 15) Steiner vraagt nu, dwingt mijn denken (weten) mij tot het verrichten van bepaalde handelingen? Want, als dat het geval is, dan ben ik ook onvrij als ik mijn beweegredenen tot in den treure heb doorgrond. Steiner besluit het eerste hoofdstuk met de constatering dat eerst het denken nader onderzocht moet worden, alvorens een uitspraak kan worden gedaan over de vrijheid van de mens.

Cursieve tekst is afkomstig uit: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee. Achter de cursieve tekst is het alineanummer van het hoofdstuk genoemd, hierdoor kan men ook als men een nieuwer exemplaar heeft de brontekst opzoeken.

Ga verder naar Hoofdstuk 2 →

Toelichting:

* Het verschil tussen dwang en drang. Bij beide begrippen gaat het om een relatie tussen een oorzaak en een gevolg. In het geval van dwang gaat het om een noodzakelijke relatie. In ieder mogelijk geval geldt: als de oorzaak optreedt, dan treedt ook het gevolg op. Bij een drang relatie gaat het om een statistische relatie. In **% van de gevallen geldt: als de oorzaak optreedt, dan treedt ook het gevolg op. Zie ook het artikel ‘Dwang, drang en vrijheid

Voor later: Kennisdrang? Maakt mij die onvrij?