Hoofdstuk 2

‘Zwei Seelen wohnen, ach! In meiner brust,
Die eine will sich von der andern trennen;
Die eine hält, in derber Liebeslust,
Sich an die Welt mit Klammernden Organen;
Die andre hebt gewaltsam sich vom Dust
Zu den Gefilden hoher Ahnen.’
(Faust I, 1112-1117)

Volgens Steiner wordt met deze tekst van Johan Wolfgang von Goethe op een treffende wijze de tweeledige natuur van het menselijke bewustzijn beschreven. In dit tweede hoofdstuk staat een voorlopige beschrijving en analyse van het menselijke bewustzijn centraal.

Als de mens als baby ter wereld komt doet de wereld zich aan de mens voor als waarnemingsinhoud. De mens gaat nog volledig op in de waarneming en is zich nog niet bewust van zichzelf als ‘Ik’. Al opgroeiend begint de mens na te denken over de wereld, de mens is niet tevreden met de gegeven waarnemingsinhoud, maar gaat op zoek naar verklaringen der feiten. ‘Wij slaan een boom tweemaal gade. De eerste maal zien wij zijn takken in rust, de volgende maal in beweging. Wij stellen ons niet tevreden met wat wij waarnemen. Waarom vertoont die boom zich aan ons de ene maal in rust en de volgende maal in beweging?’ (Alinea 1).

Deze verklaringen der feiten gaan uit boven de gegeven waarnemingsinhoud en worden in tegenstelling tot die waarnemingsinhoud door eigen denkende activiteit voortgebracht. Zodra wij ons van deze denkende activiteit bewust worden en ons daarmee identificeren plaatsen wij onszelf in de tegenstelling ‘Ik – Wereld’. Wij identificeren ons met deze denkende activiteit. Volgens Steiner behouden wij desalniettemin het gevoel dat wij toch tot de wereld behoren en dat wij niet als ‘Ik’ buiten de wereld staan. Dat gevoel zorgt ervoor dat de mens ernaar streeft de tegenstelling ‘Ik – Wereld’ te overbruggen. Dit streven uit zich in kunst, religie en wetenschap.

Daarna gaat Steiner kort in op verschillende filosofische stromingen. In de filosofie bestaat al zeker sinds Plato discussie over de fundamentele substanties waaruit de werkelijkheid is opgebouwd. Zo zijn er dualisten die er vanuit gaan dat de werkelijkheid bestaat uit twee fundamenteel verschillende substanties zoals, materie en geest, of lichaam en ziel en er zijn monisten die de werkelijkheid reduceren tot bestaande uit een fundamentele entiteit, zoals materie of geest. Het materialisme is tegenwoordig een populaire monistische stroming.

Steiner zegt tegenover deze filosofische stromingen: ‘Tegenover al deze verschillende standpunten moet naar voren worden gebracht, dat deze grond tegenstelling in haar oervorm zich allereerst in ons eigen bewustzijn aan ons voordoet.’ (Alinea 10). Wij plaatsen onszelf in de tegenstelling ‘Ik – Wereld’, zodra wij ons met onze denkende activiteit identificeren en ons daarmee distantiëren van de wereld als waarnemingsinhoud. Maar, is die denkende activiteit niet ook deel van de wereld? Steiner vraagt: kunnen wij in de diepten van onze denkende activiteit iets vinden dat niet alleen ‘Ik’ is, maar tegelijkertijd ook ‘Wereld’? Dan kunnen wij de tegenstelling overbruggen waarin wij onszelf geplaatst hebben. ‘Het doorvorsen van ons eigen wezen moet voor ons de oplossing van het raadsel brengen.‘ (Alinea 19).

Cursieve tekst is afkomstig uit: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee. Achter de cursieve tekst is het alineanummer van het hoofdstuk genoemd, hierdoor kan men ook als men een nieuwer exemplaar heeft de brontekst opzoeken.

Ga verder naar Hoofdstuk 3 →

Toelichting:

De vraag ligt voor de hand: wat is precies het verband tussen dit tweede hoofdstuk en de vraag of de mens in zijn denken en handelen een geestelijk vrij wezen is? Onderstaand een poging om dit te verklaren:

In het tweede hoofdstuk gaat Steiner in op de antropologie van de mens, op het menselijke wezen, het menselijke bewustzijn. Tegenwoordig is het materialisme een populaire filosofische stroming en wordt deze binnen de wetenschap vaak als uitgangspunt genomen. Neurologen gaan er bijvoorbeeld vanuit dat gedachten het product zijn van de materiële hersenen en dat de hersenen op hun beurt gedetermineerd zijn, door de genen (natuurwetten). Als deze veronderstellingen waar zijn, dan ligt de conclusie voor de hand dat de mens niet vrij is. Hij heeft immers geen invloed op zijn genen en op zijn hersenen. Hieruit wordt al duidelijk dat het antwoord op de vraag naar de menselijke vrijheid samenhangt met een nadere analyse van het menselijke wezen.

Maar, ook als een meer dualistische filosofie als uitgangspunt wordt genomen, zoals die van Descartes, die er vanuit gaat dat de wereld bestaat uit de twee fundamenteel verschillende substanties, materie en geest, is de vraag naar de antropologie van de mens van belang. Want, hoe kan de geest (gedachte) invloed uitoefenen op de handeling (materie) als dit twee fundamenteel verschillende substanties zijn?

Ook klinkt in het tweede hoofdstuk de vraag door of de mens de wereld werkelijk kan kennen. Heeft de mens met zijn denken toegang tot de wereld als waarnemingsinhoud? Dat is een kentheoretische vraag. Stel dat de mens dat niet heeft, hij kan enkel subjectieve gedachten er op nahouden over de wereld, die in feite niets met de werkelijke wereld van doen hebben, dan is de vrijheid van de mens daardoor in sterke mate beperkt. Dan bestaat er een onoverbrugbare kennisgrens. Dan is het ‘Ding an sich‘ (de wereld op zich), zoals Kant zegt, niet te kennen.