Hoofdstuk 3

In het voorgaande hoofdstuk gaat Steiner in op de tweeledige natuur van de mens. In het begin van dit derde hoofdstuk gaat Steiner nader in op deze tweeledigheid, de wereld als waarnemingsinhoud en de denkende activiteit. Daarna gaat Steiner dieper in op het denken. Dat had hij reeds aan het einde van het eerste hoofdstuk aangekondigd.

De wereld wordt de mens gegeven als waarnemingsinhoud. Voor de totstandkoming van deze wereld is zonder zijn toedoen gezorgd. Ook voor zijn lichaam is door de natuur gezorgd. De mens hoeft hiervoor niet actief te worden de mens kan blijven staan bij deze waarnemingsinhoud. Echter, als de mens een uitspraak wil doen over de gegeven waarnemingsinhoud, dan is het noodzakelijk dat hij over de wereld nadenkt. Door het nadenken ontstaan begrippen en ideeën over de waarnemingswereld die de mens helpen om de wereld te begrijpen, te voorspellen en er in te leven. Als de mens nadenkt en begrippen en ideeën vormt, dan heeft de mens het gevoel dat hijzelf actief is. De mens kan zich immers ook tevreden stellen met de waarneming en het denken achterwege laten.

Steiner komt tot de conclusie: ‘Waarnemen en denken zijn de twee uitgangspunten voor alle geestelijke streven van de mens, voor zover hij zich van zulk een streven bewust is.’ (alinea 4)En verder: ‘Van welk beginsel wij ook zouden uitgaan, wij moeten aantonen, dat het ergens door ons waargenomen is, óf het onder woorden brengen in de vorm van een heldere gedachte, die door ieder ander na-gedacht kan worden.’ (alinea 5)

Dat de mens aangewezen is op het waarnemen volgt uit zijn lichamelijke constitutie. In de tijd gaat het waarnemen vooraf aan het denken. Als de mens wil denken, dan is er iets nodig waarover hij kan nadenken. Datgene waarover de mens kan nadenken wordt gegeven door de waarneming. Steiner hanteert een ruim begrip voor de waarneming. Hieronder verstaat hij niet enkel zintuiglijke waarnemingen, maar ook gewaarwordingen van gevoelens, wilsbesluiten, droom- en fantasiebeelden en begrippen en ideeën.*

In het dagelijkse leven richt het denken zich op de waarneming. Maar, men kan het waarnemen ook richten op het denken. Als men dit wil, dan zal men eerst een gedachte (begrip of idee) moeten denken. Als men die gedacht heeft voortgebracht dan kan men achteraf over dat denkproces nadenken. Men zal echter constateren dat het actuele denkproces niet waar te nemen is. Probeer het maar eens uit met bijvoorbeeld een aantal willekeurige rekensommen, zoals 13 x 17 = of 29 x 18 =. Daarbij zal men constateren, dat men zich wel de denkresultaten bewust wordt, maar niet het actuele denken. In Steiners bewoordingen: ‘Ik kan mijn denken van het ogenblik zelf nimmer waarnemen, doch ik kan slechts de ervaringen die ik aan mijn denkproces heb opgedaan, achteraf tot object van het denken maken.’ (alinea 14)

Het denken dat wordt waargenomen is nooit de actuele denkactiviteit. ‘Twee dingen kunnen niet samengaan: actief voortbrengen en beschouwend er tegenover staan. (alinea 15)De mens kan zijn eigen denkactiviteit niet waarnemen, omdat het zijn eigen scheppende activiteit is. Hij brengt het zelf voort. Alle andere dingen die hij waarneemt zijn hem gegeven. Omdat de mens zijn begrippen zelf voortbrengt zijn ze voor hem ook glashelder. Waarom de donder op de bliksem volgt weet de mens op grond van de begrippen die hij heeft. Of die begrippen daarbij ook betrekking hebben op de werkelijkheid doet voorlopig niet ter zake.

‘Voor eenieder echter, die het vermogen heeft het denken waar te nemen – en bij goede wil heeft ieder normaal aangelegd mens dit – is dit waarnemen het allerbelangrijkste wat hij kan verrichten. Immers hij neemt iets waar, waarvan hij zelf de schepper is; hij ziet zich niet tegenover een op het eerste gezicht vreemd object geplaatst, maar tegenover zijn eigen activiteit. Hij weet, hoe datgene wat hij waarneemt, tot stand komt. Hij doorziet de verhoudingen en de onderlinge betrekkingen. Er is een vast punt gevonden, van waaruit men met gegronde hoop naar de verklaring der overige wereldverschijnselen kan zoeken. (Alinea 18)

Men weet hoe het denken tot stand komt. Het denken kan men door het denken zelf leren kennen, zonder dat men aannames hoeft te doen over de wereld. Men hoeft geen principes die buiten het denken liggen ter hand te nemen om het denken te verklaren. Het denken is een principe dat door zichzelf bestaat.**

Er valt derhalve niet aan te twijfelen: bij het denken houden we het wereldgebeuren bij een tip vast, waarbij wij erbij moeten zijn, wil er iets tot stand komen. En hierop komt het toch juist aan. Dit is juist de reden waarom de dingen mij zo raadselachtig voorkomen, omdat ik in het geheel geen deel heb aan hun bestaan (de overige waarnemingsinhoud). Ik vind ze zonder meer gegeven; bij het denken weet ik echter hoe het toegaat, vandaar dat er geen oorspronkelijker uitgangspunt voor het beschouwen van alle wereldgebeuren bestaat dan het denken.’  (alinea 25)

Vervolgens vraagt Steiner of wij met het denken ook nog iets anders dan alleen het denken kunnen leren begrijpen. De hoofdstukken vier en vijf richten zich onder andere op dit vraagstuk.

Ga verder naar hoofdstuk 4 →

Toelichting:

In alinea negen van het derde hoofdstuk wordt een opmerking gemaakt die samenhangt met het vrijheidsvraagstuk. ‘Bij het nadenken over een waarnemingsinhoud gaat het in het geheel niet om een bepaalde werking op mij.’ Het nadenken berust immers op mijn eigen activiteit. Kortom: de begrippen die ik zelf heb bedacht en die ik ten grondslag leg aan mijn handelen worden niet door een uiterlijke oorzaak genoodzaakt. Er is dus geen sprake van dwang. Is daarmee de zoektocht naar vrijheid reeds afgerond?

Een materialist zou kunnen zeggen: ‘Nee, want het denken en dus onze gedachten worden genoodzaakt door onze hersenen’. Onze hersenen/fysieke lichaam maakt onderdeel uit van de gegeven waarnemingswereld. Bij de waarneming en bij de relatie tussen het waarnemen en het denken staat Steiner uitvoerig stil in de komende hoofdstukken.

Veel handelingen die mensen verrichten hebben betrekking op de waarnemingswereld. Ten aanzien van deze wereld bedenkt men vaak persoonlijke doelen, en methoden om die doelen te realiseren. Kant noemt dit hypothetische-imperatieven. Bijvoorbeeld: doel = ik wil gezond leven. Methode = als ik twee liter water drink per dag, dan leef ik gezond.*** De methode is een begrip dat men vormt met het denken. Als men het doel wil bereiken, dan wil men graag een methode bedenken die werkt. Kan men behalve zijn denken ook de overige waarnemingsinhoud begrijpen? (in dit geval de relatie lichaam – water). Als men deze overige waarnemingsinhoud niet kan begrijpen, omdat het denken geen toegang daartoe heeft, dan wordt men in zijn vrijheid beperkt. Men kan immers de werkelijkheid niet begrijpen en geen methode bedenken waarmee men met zekerheid zijn doel kan bereiken. Voordat een bevredigend antwoord op de menselijke vrijheid gegeven kan worden is ook een onderzoek wenselijk van de relatie tussen het waarnemen en het denken.

* In het nawoord van een recente vertaling van de ‘Filosofie der Vrijheid’, vertaald door Pim Blomaard en uitgegeven in 1998, wijst deze op een bezwaar dat verbonden is aan de methode die Steiner heeft gehanteerd. In zijn boek maakt Steiner gebruik van introspectie (in jezelf kijken). Dat doet hij aan de hand van het beschrijven van gedachteprocessen, gevoelens en wilsbesluiten. Bijvoorbeeld beschrijft hij hoe zich gedachten ontwikkelen aan de hand van het zintuiglijk waarnemen van een aantal biljartballen die op elkaar stoten. Veel hedendaagse wetenschappers verwerpen deze methode, omdat zij menen dat deze methode niet controleerbaar is. Immers, datgene wat ik in mijzelf kan waarnemen, is alleen voor mijzelf toegankelijk. Is dit een zwaarwegend bezwaar? Uiteraard is voor iemand niet controleerbaar wat Steiner zelf precies, dacht, voelde of waarnam toen hij het boek schreef. Echter, eenieder kan de processen die Steiner helder beschrijft innerlijk navoltrekken en vervolgens erover nadenken of de conclusies die Steiner uit deze experimenten trekt aanvaardbaar zijn. Bij alles wat Steiner schrijft kan de vraag gesteld worden: ‘neem ik dit over?‘. Een voordeel van Steiners methode is dat een diepgaande analyse van het eigen gedachte-, gevoels- en wilsleven mogelijk is, hetgeen tot meer zelfkennis kan leiden.

** Een neuroloog zou zeggen. Als je het denken wilt begrijpen, dan moet je de hersenen onderzoeken. Echter, iedere uitspraak die men over de waarneming van de hersenen wil doen, doet men met zijn denken. Het begrip hersenen is een in hoge mate complex begrip dat gevormd is door het denken. Als men de hersenen onderzoekt dan treft men niet de gedachten aan die men in zichzelf kan gewaarworden. Steiner wil eerst het denken onderzoeken, dat kan door iedere welwillende mens worden gedaan (door in jezelf te kijken). Vervolgens wil Steiner in de hoofdstukken vier en vijf verklaren of men met dit denken ook toegang heeft tot de waarnemingsinhoud en daar zinvolle uitspraken over kan doen (bijvoorbeeld over de hersenen).

*** Of deze uitspraak op werkelijkheid berust kan de schrijver helaas niet garanderen. Allereerst is een onderzoek van de volgende hoofdstukken nodig en daarnaast beschikt de schrijver over onvoldoende kennis over dit onderwerp.

Cursieve tekst is afkomstig uit: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee. Achter de cursieve tekst is het alineanummer van het hoofdstuk genoemd, hierdoor kan men ook als men een nieuwer exemplaar heeft de brontekst opzoeken.