Hoofdstuk 4

In hoofdstuk vier gaat Steiner eerst in op het denken. Daarna beschrijft hij het begrip waarneming.

Steiner schrijft: door het denken ontstaan begrippen en ideeën.Wat een begrip of idee is kan niet in woorden worden gevat. Woorden verwijzen naar begrippen en ideeën.* Begrippen en ideeën staan niet los van elkaar. Ze sluiten op elkaar aan en vormen een begripsstelsel. (alinea 1) De begrippen kunnen niet door de waarneming worden verkregen, maar worden geleidelijk met de waarneming in relatie gebracht. (alinea 2) Bijvoorbeeld: als ik een ‘fluitend’ geluid waarneem, dan kan zich daarmee het begrip ‘gevolg’ verbinden. Met het begrip ‘gevolg’ is het begrip ‘oorzaak’ verbonden. Het begrip ‘oorzaak’ zorgt ervoor dat ik op zoek ga naar een waarneming die daarmee correspondeert. Deze waarneming vind ik in de vogel. Met de woorden ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ wijs ik op begrippen. Deze begrippen begrijp ik of begrijp ik niet. Indien ik ze niet begrijp zijn de woorden betekenisloos. Kortom: woorden kunnen slechts verwijzen naar begrippen. En, ook al zou ik duizend keer een ‘fluitend’ geluid horen. Uit dit fluitende geluid kan ik niet het begrip ‘gevolg’ destilleren. Het blijft steeds enkel een fluitend geluid.

Daarna gaat Steiner over van het denken, naar het wezen dat denkt. Het wezen dat denkt brengt de waarneming en het denken samen. Het bewustzijn is de bemiddelaar voor denken en waarnemen. Als de mens zijn denken richt op de waarneming, heeft hij bewustzijn van zijn waarneming en kan deze waarneming karakteriseren als object. Als de mens zijn denken richt op zijn eigen denkactiviteit heeft hij bewustzijn van zijn eigen activiteit en kan hij zichzelf als subject ervaren.** (alinea 7) Steiner wijst er op dat het denken een activiteit is die boven subject en object uitgaat. Het denken vormt beide begrippen. Door het denken kom ik tot het inzicht dat ik een subject ben en door het denken kom ik tot het inzicht dat er een object voor mij staat. Kortom: ik mag niet zeggen dat mijn subject denkt, maar mijn subject ben ik mij bewust door het denken. (alinea 8)

Op het voorgaande berust volgens Steiner de tweeledige natuur van de mens. Met zijn denken vormt de mens begrippen over de wereld en zichzelf, maar door dat denken plaats hij zichzelf ook als subject tegenover de wereld. (alinea 9)

Daarna gaat Steiner in op de waarneming. Hij vraagt: hoe komt deze in ons bewustzijn? (alinea 10) Volgens Steiner moet eerst alles wat reeds door het denken in de waarneming is gebracht uit deze waarneming worden gehaald. (alinea 11) Gedachte experiment: een volwassen mens ontstaat uit het niets en neemt de wereld waar: datgene wat deze mens ervaart is de zuivere waarnemingsinhoud. Hij neemt een onsamenhangend geheel van gewaarwordingen waar: warmte, geuren, geluiden, kleuren etc. Daarna zal het denken middels begrippen de waarnemingen met elkaar verbinden en betekenis en inhoud geven. (alinea 12)

Indien wij ons nu herinneren dat het denken niet een subjectieve activiteit is, komen wij ook niet in de verleiding om te denken dat de begrippen die over de waarneming worden gevormd slechts een subjectief karakter hebben. (alinea 13) Met het denken geven wij inhoud en betekenis aan de waarneming. Zonder denken zou de waarneming van een boom een betekenisloze hoeveelheid kleuren zijn. Dankzij het denken weten wij dat een boom een object is dat zich onderscheidt van de blauwe lucht daaromheen en de grond waarin deze staat.

Daarna wil Steiner onderzoeken hoe de onmiddellijk gegeven waarnemingsinhoud in relatie staat tot de mens. De naïeve mens beschouwt de onmiddellijk gegeven waarnemingen als zaken die onafhankelijk van hem bestaan. (alinea 17) Daar tegen voert Steiner twee bezwaren aan:

  1. De onmiddellijk gegeven waarnemingsinhoud is afhankelijk van de plaats waar wij ons bevinden. (alinea 19)
  2. De onmiddellijk gegeven waarnemingsinhoud is afhankelijk van onze zintuigen. (alinea 19)

Steiner concludeert dat de waarnemingsbeelden vooralsnog subjectief zijn. Dit subjectieve karakter kan er toe leiden dat men gaat twijfelen of er überhaupt iets objectief aan de waarneming ten grondslag ligt. (alinea 20)

Berkeley is van mening dat de waarneembare wereld alleen in het menselijke bewustzijn of in het bewustzijn van een eeuwige geest bestaat. Volgens deze opvatting zijn de objecten van mijn waarneming slechts door mij voorhanden en hebben zij zonder de activiteit van het waarnemen geen bestaan. (alinea 20) Steiner geeft aan dat het nu interessant is om te onderzoeken wat er met de waarneming bij het waarnemen geschiedt. Hij schrijft: als wij weten wat met de waarneming tijdens het waarnemen geschiedt, dan kunnen wij ook vaststellen wat de waarneming vóór het waarnemen is en of datgene wat Berkeley zegt wel of niet klopt. (alinea 22)

Dat brengt Steiners analyse van de waarneming naar het subject dat waarneemt. Het subject dat waarneemt is het blijvende. Dit blijvende, concept van een ik, ziet een constante stroom van waarnemingen aan zich voorbij trekken. Van deze waarnemingen vormt het ik zich mentale beelden. Deze mentale beelden noemt Steiner voorstellingen. (alinea 23) Het geheel van voorstelling beschouwt Steiner als binnenwereld. Daartegenover staat de waarneembare buitenwereld. (alinea 24)

Het niet onderkennen van het verschil tussen voorwerpen in de waarneembare buitenwereld, zoals bomen en vogels, en voorstelling heeft volgens Steiner tot verwarring geleid in de nieuwere filosofie. De nieuwere filosofie is voor Steiner gelijk aan het kritische – idealisme en de theorieën die zich daarop baseren. Volgens deze nieuwere filosofie is al het geen wij waarnemen gelijk aan een subjectieve voorstelling en kunnen wij de werkelijke dingen niet kennen. ‘Das ding an sich’ kan de mens niet kennen. (alinea 24) Daaraan ligt volgens Steiner de volgende redenatie ten grondslag: de ogen reageren chemisch op prikkels uit de omgeving. Deze prikkels worden via zenuwen naar de hersenen geleid. Daar vinden wederom chemische processen plaats. Uit deze processen resulteert dan datgene wat wij waarnemen. Kortom: datgene wat wij waarnemen is niet gelijk aan datgene wat zich buiten ons bevindt maar is het resultaat van hersenprocessen. Buiten ons bestaan lichtgolven waarop ons oog kan reageren. Het zelfde geldt voor onze andere zintuigen, zoals voelen, horen en ruiken. Daarom is alles wat wij waarnemen subjectief, een resultaat van onze hersenen. (alinea 25 – 28)

Steiner weerlegt deze redenatie: de nieuwere filosofie maakt de fout dat de waarneming van het oog, de hersenen en de zenuwbanen wel als objectief worden aangenomen, maar de waarneming van bijvoorbeeld een boom niet. Echter, de waarneming van een oog, de hersenen en de zenuwen zijn gelijk aan de waarneming van een boom. Kortom: dan zouden oog, zenuwen en hersenen ook voorstellingen zijn. En, als dat ook voorstellingen zijn, mogen deze niet als uitgangspunt gebruikt worden voor de weerlegging van de overige waarnemingen, zoals bomen. De redenatie is onjuist. (alinea 29) Steiner wijst er verder op dat in de redenatie van de nieuwere filosofie een sprong zit: het waarnemingsproces wordt tot in de hersenen vervolgd, maar er wordt niet getoond hoe uit deze chemische hersenprocessen onze waarnemingsbeelden, die wij daadwerkelijk gewaarworden, ontstaan. (alinea 30)

Steiner concludeert: door onderzoekingen in de waarnemingswereld (de ogen behoren immers ook daartoe) kunnen wij niet de objectiviteit van waarnemingen (bijvoorbeeld, bomen en planten) weerleggen. (alinea 33) Dus kunnen wij op grond daarvan ook niet concluderen dat wij het ‘Ding an sich’ niet kunnen kennen of dat onze waarnemingen slechts subjectieve voorstellingen zijn.  Hij zegt: om er achter te komen wat de waarneming vóór de waarnemingsactiviteit is, moeten wij een andere weg in slaan. (alinea 35)

Ga verder naar hoofdstuk 5 →

* Bij Steiner is sprake van een correspondentietheorie voor de betekenis van woorden. Woorden verwijzen naar dingen. Bijvoorbeeld naar begrippen, waarnemingen en voorstellingen. (Voor later: verband leggen naar Frege en Tarski)

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee.