Hoofdstuk 5

In hoofdstuk vijf gaat Steiner in op de waarneming en op het kennen van de wereld. Hij begint met een korte terugblik op hoofdstuk vier.

In alinea 1 herhaalt Steiner nog eens de weerlegging van het kritische – idealisme. In hoofdstuk vier is deze weerlegging reeds beschreven. Steiner onderscheidt 1) de bewijsvoering voor het kritisch-idealisme van 2) de conclusies van het kritisch-idealisme (de wereld die ik waarneem is een voorstelling). De bewijsvoering is voor hem van generlei waarde. De juistheid van de conclusies bespreekt hij aan het einde van het hoofdstuk. (alinea 2)

Dan gaat Steiner in op het kennen van de wereld. Alvorens zijn eigen visie te geven gaat hij in op de wijze waarop het kritisch-idealisme denkt kennis te verkrijgen van de wereld. Zoals eerder reeds aangegeven is de wereld die wij waarnemen voor de kritische-idealist gelijk aan een voorstelling. De vraag is nu van belang of via de voorstelling middelbaar conclusies mogen worden getrokken over de wereld achter de voorstelling, de wereld ‘an sich’. De kritisch-idealistische stroming die van mening is dat, dat niet kan noemt Steiner absoluut illusionisme. De stroming die denkt dat, dat wel kan noemt Steiner transcendentaal realisme. Voor de eerstgenoemde stroming verdwijnt iedere wetenschappelijke kennisdrang. De laatstgenoemde stroming onderzoekt via de voorstelling de daarachter gelegen wereld ‘an sich’ (de echte wereld). (alinea 3 – 7)

De bovengenoemde stromingen onderzoeken de waarnemingen die voor ons toegankelijk zijn om kennis te verwerven (zij noemen deze waarnemingen voorstellingen). Ze gebruiken hetzelfde uitgangspunt als de naïeve-realist met dit verschil dat de naïeve-realist zijn waarnemingen niet beschouwt als voorstellingen. (alinea 8)

Dan gebruikt Steiner het dromen en wakker zijn als analogie voor het verwerven van kennis. Voor het transcendentaal realisme is kennis van de voorstelling gelijk aan dromen. kennis van de wereld achter de voorstelling, de echte wereld, is wakker zijn, dus echte kennis. Voor het absoluut idealisme bestaat alleen de droomtoestand, omdat er geen toegang bestaat tot de wereld ‘an sich’. (alinea 9) In de laatste zin van alinea 9 geeft Steiner aan wat voor hem van belang is bij het verwerven van kennis: dat is het denken.

Voor de naïeve mens is de waargenomen wereld de werkelijke wereld, deze wereld is af, ook zonder zijn denken (alinea 11). Steiner vraagt nu: hoe verhoudt het denken zich tot de waargenomen wereld? Hij geeft aan: als wij een uitspraak willen doen over de wereld, dan moeten wij over de wereld nadenken. (alinea 10) Volgens Steiner wordt het denken in het dagelijkse leven vaak overzien, omdat het denken zich richt op de waarnemingen en niet op zichzelf, zie ook hoofdstuk 3. Steiner vraagt: met welk recht verklaart gij de wereld zonder het denken voor voltooid? De wereld brengt immers het denken in de mens voort. (alinea 11) Volgens Steiner berust het op willekeur om te zeggen: ‘de waarneming behoort wel tot de wereld, maar het begrip dat wij door het nadenken over de waarneming vormen behoort niet tot de wereld’. Als wij op een bepaald tijdstip een roos waarnemen, dan zegt de naïeve mens, dat is de werkelijkheid. Echter, de volgende dag is die werkelijkheid alweer veranderd (de roos is verwelkt). Zaken in wording kunnen alleen begripsmatig verklaard worden. Het denken brengt de waarnemingen door begrippen met elkaar in relatie. Steiner gebruikt nog het werpen van de steen als voorbeeld. (alinea 13 – 16)

Volgens Steiner ligt het niet aan de voorwerpen dat ons de begrippen niet gelijktijdig met de waarneming worden gegeven, maar ligt dit aan onze menselijke organisatie. De werkelijkheid treedt ons van twee zijden tegemoet: van de zijde van het waarnemen en van het denken. (alinea 17) In werkelijkheid behoren deze delen reeds tot elkaar. Echter, wij zijn zo georganiseerd dat wij waarnemingen en begrippen afzonderlijk ontvangen en eerst in de loop van de tijd met elkaar in relatie brengen. (alinea 18) Daarnaast zijn wij als mens ook beperkt door de tijd waarin wij leven en de plek waar wij leven. (alinea 19)

Dan schrijft Steiner: ‘Nu is het van het allergrootste belang de positie van onszelf als wezen ten opzichte van andere wezens te bepalen.’ (alinea 20) Hiermee bedoelt hij niet het bewust worden van onszelf. Dat sluit ons binnen de grenzen van de waarnemingen aan onszelf. Hij bedoelt daarmee het denkende bepalen van onszelf. Interpretatie maker website: voor het kennen van de werkelijkheid geldt dat wij begrip en waarneming met elkaar in verbinding brengen (zie verderop), bijvoorbeeld: het waarnemingsbeeld van een boom in relatie brengen tot het begrip van de boom. Wij als mens zijn echter drager van een denkende activiteit. Het begrip dat in relatie staat tot ons eigen waarnemingsbeeld is niet af. Wij kunnen onszelf denkend bepalen. Wij denken ons eigen begrip en voegen het samen met ons waarnemingsbeeld. Wij creëren daarmee onze eigen werkelijkheid en bepalen onszelf in de wereld. Dat maakt dat wij vrije wezens zijn. (Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 9) Steiner vervolgt: ons denken is niet individueel, maar universeel. (alinea 20) In het denken is ons het element gegeven, dat onze bijzondere individualiteit met de kosmos tot een geheel aansluit. (alinea 22)

Doordat ons denken universeel is ontstaat kennisdrang in ons. Kennis verkrijgen is voor Steiner gelijk aan: de waarneming in relatie brengen tot het (universele) begrip. (alinea 23) Of, ‘synthese van waarneming en begrip’. (alinea 24) Voor Steiner is de ideële inhoud die wij door denkend aanschouwen van de waarneming winnen het gemeenschappelijke in de mensen. Niet kracht of stof etc. Daarna gaat hij uitvoerig in op Schopenhauer die hij weerlegt. (alinea 25) Vraag voor later: dwingen de universele begrippen ons?

Dan gaat Steiner in op het vooroordeel dat het denken abstract is en zonder enige inhoud. Dat weerlegt hij door het waarnemen zonder enige vorm van denken te onderzoeken. De waarneming op zich is volgens Steiner een aggregaat van onsamenhangende gewaarwordingen, zie ook hoofdstuk vier. Pas als wij gaan nadenken over de waarneming krijgen wij begrip van de waarnemingen. (alinea 26)

Het begrip wordt uit de begrips- en ideeënwereld van de mens aan de waarneming tegemoet gebracht. De vorm waarin de begrippen allereerst optreden noemt Steiner intuïtie*. Waarnemen en intuïtie zijn de bronnen van onze kennis. (alinea 27) Door ons waarnemen worden wij afzonderlijke waarnemingen gewaar, geluiden, kleuren, geuren etc. Door het denken brengen wij deze met elkaar in verbinding. In werkelijkheid zijn waarneming en begrip reeds met elkaar verbonden, maar door onze constitutie moeten wij waarneming en begrip eerst samenvoegen. (28)

Dan keert Steiner terug naar de waarneming. Is de conclusie van het kritisch – idealisme waar en zijn onze waarnemingen subjectieve voorstellingen? (alinea 30) Steiner zegt Nee! Als ik een appel zie, dan neem ik kleuren waar, als ik eraan ruik, ruik ik een zoette geur, als ik er met een zeer sterke microscoop naar kijk zie ik atomen en als ik er een hap van neem proef ik een zoetzure smaak. Volgens Steiner is de ene waarneming niet meer waar(d) dan de andere. Het zijn gewoon afzonderlijke waarnemingen. Als ik iets over de waarnemingen wil weten en iets over de onderlinge verbinding, dan kan ik dat slechts ideëel door de waarnemingen met begrippen in relatie te brengen. Het denken vertelt mij iets over de onderlinge samenhang. (alinea 31)

Steiner besluit het hoofdstuk met een vooruitblik op het begrip ‘voorstelling’. Dat begrip wil hij in het volgende hoofdstuk behandelen. (alinea 33)

In alinea 39, in de aanvulling, schrijft Steiner: Het overigens voor niets anders (dan het denken) geldende naïef-realisme wordt door het kennen van het ware wezen van het denken overwonnen.

Ga verder naar hoofdstuk 6 →

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee.

Toelichting:

Voor later: universaliteit van begrippen onderzoeken. Denken en begrippen vs. zwemmen en zwemslagen.

In alinea 35 lijkt het woord voorstelling een dubbele betekenis te hebben. Betekenis 1: De voorstellingen is een herinnering die ik met mij meedraag. Alleen op die manier weet ik van dingen. Ik kan de dingen buiten mij wel waarnemen, alleen kan ik er verder geen weten over krijgen. Betekenis 2: De waarneming is een subjectieve voorstelling. Voor de echte wereld ben ik blind deze kan ik niet waarnemen. Bij mijn interpretatie van Steiner kies ik voor betekenis 2 voor een begrip van deze alinea en een begrip van hoofdstuk vier.

* In de tijd van Rudolf Steiner was het intuïtionisme een relevante filosofische stroming. Kennis van deze stroming kan bijdragen aan meer inzicht in het begrip van Steiner van de Intuïtie. Zie de Duitse Wikipedia site: Intuitionismus. (Persoonlijk vind ik de uitleg op die website niet erg helder, maar de verwijzing naar filosofen is interessant).