Hoofdstuk 6

In hoofdstuk zes gaat Steiner in op het begrip voorstelling en op de menselijke individualiteit. Hij begint met het begrip voorstelling.

Alvorens Steiner zijn eigen definitie van het begrip voorstelling geeft gaat hij in op de definitie van andere filosofen. Hij schrijft dat filosofen de lichaamsgrenzen zien als absolute scheidswanden tussen het subject en de wereld. De filosofen waarnaar Steiner verwijst veronderstellen dat de waarneming van de wereld buiten ons een subjectieve representatie is van de werkelijkheid. Deze is subjectief, omdat de waarneming gemodificeerd wordt door onze zintuigen. Wij nemen alleen de subjectieve modificatie waar. Deze noemen de filosofen voorstelling. Filosofen vragen zich: hoe kunnen wij (subject) kennis krijgen van de wereld buiten ons (objecten)? Steiner geeft aan dat die vraag niet zinvol is. Hij geeft aan dat de waarnemingen aan mijn lichaam en de waarneming van de zaken buiten mijn lichaam dezelfde waarde hebben. Kortom: het is niet zinvol om te zeggen de ene waarneming (een boom) is een voorstelling en de andere waarneming (mijn oog) is niet een voorstelling. Het is wel zinvol om te vragen: hoe staan deze verschillende waarnemingen tot elkaar in relatie? Steiner zegt dat ons die relatie via het denken toegankelijk is. Steiner geeft aan dat een andere weg moet worden ingeslagen om aan te duiden wat het verschil is tussen waarneming en voorstelling. (alinea 1 -3)

Volgens Steiner is de voorstelling gelijk aan het volgende: als de mens iets waarneemt dan activeert dit zijn denken. Het denken brengt de waarneming in relatie tot een specifiek begrip. De specifieke relatie tussen begrip en waarneming is de voorstelling. Deze voorstelling draag ik met mij mee. En kan ik als herinnering in mijn bewustzijn oproepen. Bijvoorbeeld: ik zie Leeuw A. Het denken verbindt deze waarneming met een specifiek begrip. Dit resulteert in een relatie die ik met mij meedraag en die zich uit in de voorstelling. Zie ik later Leeuw B. Dan zie ik dat deze waarneming correspondeert met mijn voorstelling van Leeuw A. Beide behoren tot de zelfde soort. Zie ik later weer leeuw A, dan herken ik Leeuw A als zijnde Leeuw A. (alinea 4 – 5)*

Volgens Steiner doet zich de volle werkelijkheid aan ons voor als waarneming en begrip. Als voorstelling draag ik de subjectieve weergave van deze werkelijkheid met mij mee.     (alinea 8)

Echter, ik breng de waarneming niet alleen in relatie tot een specifiek begrip, maar ik breng de waarneming ook in relatie tot mijn ik. Deze relatie drukt zich uit in het gevoel. Het gevoel wordt mij gegeven als lust of als onlust. (alinea 10)

Steiner concludeert: het voorstellen geeft mijn ik reeds een individueel karakter, omdat wij de begrippen allen met bepaalde waarnemingen in verbinding brengen. De waarnemingen zijn afhankelijk van de plek waar bij ons bevinden. (alinea 15) Het voelen maakt ons echter pas echt tot individualiteit, omdat wij het waarnemen op ons ik betrekken. Ook aan de waarneming van onszelf verbinden wij een bepaald gevoel. Dat is het zelfgevoel. (alinea 12) Door het gevoel komen onze begrippen tot concreet leven en krijgen een individuele kleur. (alinea 18)

Ga verder naar hoofdstuk 7 →

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee. 

Toelichting:

* In alinea 23 van hoofdstuk vier beschrijft Steiner dat hij onder het begrip Voorstelling ook de herinnering aan een bepaalde waarneming verstaat: ‘Wanneer de boom uit mijn gezichtskring verdwijnt, dan laat dit waarnemingsproces een indruk in mijn bewustzijn achter: een beeld van de boom.’