Hoofdstuk 7

In dit hoofdstuk gaat Steiner in op de vraag of er grenzen bestaan bij het verwerven van kennis. Hij beschrijft zijn visie en zet zich daarbij af tegen het dualisme.

Voor ons als ‘ik’ is de wereld eerst gegeven als waarneming. Tegenover die waarneming staat het denken. Het denken brengt de waarneming in relatie tot begrippen. Hierdoor verkrijgt de waarneming voor ons inhoud en kunnen wij de waarnemingen met elkaar in relatie brengen. Dit is het proces waardoor wij kennis verwerven. In werkelijkheid zijn waarneming en begrip reeds met elkaar verbonden, maar door onze subjectieve constitutie zijn wij genoodzaakt om beide met elkaar in relatie te brengen. Het kenproces is een individueel proces. De wereld verschijnt aan ons als individu eerst als dualistisch, door het kenproces maken wij de wereld monistisch, nemen wij de werkelijkheid waar. (alinea 1 en 6) Voor Steiners monisme bestaan er geen overbrugbare grenzen bij het verwerven van kennis. Alles wat wij nodig hebben voor het verwerven van kennis is aanwezig in de wereld. Dat wij bepaalde kennis niet verwerven kan alleen tijdelijke oorzaken hebben of gelegen zijn in mankementen aan onze persoonlijk constitutie (geen tijd om mij er in te verdiepen, hersenbeschadiging, blind, doof etc.). (alinea 5)

Voor de dualist daarentegen bestaan er wel onoverbrugbare grenzen voor het kennen. De dualist gaat er vanuit dat de wereld ons als tweeheid is gegeven. Kant gaat er bijvoorbeeld van uit dat ons de wereld als subjectieve ‘voorstelling’ is gegeven. Daarachter plaatst Kant het ‘Ding an Sich’. Dat ‘Ding an Sich’ is niet waarneembaar voor ons. Wij kunnen er alleen een hypothese over opstellen. In deze filosofie is besloten dat er onoverbrugbare grenzen bestaan voor het kenvermogen. (alinea 2 -4) Deze  filosofie heeft Steiner in eerdere hoofdstukken weerlegd (hoofdstuk  vier). Indien het wereldbeeld van Kant wordt overgenomen kunnen wij ons daardoor onvrij gaan voelen in het kennen van de werkelijke wereld.

Daarna gaat Steiner uitvoerig in op het naïef-realisme en het metafysisch-realisme.

De naïeve-realist gaat van de veronderstelling uit: datgene wat zintuiglijk kan worden waargenomen bestaat. (alinea 14) Ideeën en begrippen die wij over de wereld vormen zijn voor de naïeve-realist slechts subjectieve gedachtespinsel die niet een realiteitswaarde hebben. (alinea 15) De wereld is zonder deze ook af. Zaken die door de naïeve-realist niet kunnen worden waargenomen, zoals erfelijkheid, waarnemen en de ziel worden op een aan de zintuiglijke waarneming analoge wijze gedacht. Er worden hypothetische werkelijkheden bedacht aan welke ook een realiteit wordt toegekend. (alinea 16 – 19) Indien de naïeve-realist dit doet handelt hij in strijd met zijn eigen uitgangspunt. (alinea 23)

Steiner weerlegt het naïef-realisme als volgt: hij schrijft dat de waarnemingsinhoud vergankelijk van aard is. De idee of het begrip is niet vergankelijk van aard. Bijvoorbeeld: het exemplaar van een tulp bestaat, maar is na een bepaalde tijd vergaan. Datgene wat blijft is de tulpensoort. Dit is voor de naïeve-realist echter slechts een idee. (alinea 21)

Naar analogie aan de waarnemingsinhoud zoekt de naïeve-realist naar waarneembare zaken die verandering, ontstaan en vergaan verklaren. Dit leidt tot het metafysisch realisme. (alinea 24)

Volgens het metafysisch-realisme is de waarneembare wereld een subjectieve voorstellingswereld. De objectieve wereld (Ding an Sich) is een wereld van krachtenbewegingen, bijvoorbeeld de wereld van de atomen. Wat de metafysische-realist hierbij doet is waarneembare kwaliteiten, namelijk kracht en beweging, toekennen aan de zogenaamd objectieve wereld. Deze eigenschappen ontleent hij echter aan de subjectieve voorstellingswereld (zien en voelen). (alinea 25 – 27) Indien de metafysische-realist dit niet doet kan hij de begrippen en ideeën die de waarnemingen met elkaar in relatie brengen handhaven. (alinea 28)

In de alinea’s 35 t/m 38 gaat Steiner in op de methodische grondslag van het metafysisch-realisme, de inductieve gevolgtrekking. Bij de inductieve gevolgtrekking trekt men op basis van voldoende waarnemingen conclusies over de oorzaak(en) van die waarneming en/of het Ding an Sich dat een metafysisch karakter heeft. De vorm die men daarbij voor het metafysische vindt is echter relatief van aard. Relatief, omdat de vorm dient te worden bijgesteld indien bepaalde waarnemingen in strijd zijn met de vorm van het metafysische.

In alinea 44 (aanvulling bij de nieuwe druk) geeft Steiner een verdere toelichting op het begrip: waarneming. Bij Steiner valt meer onder het begrip waarneming dan alleen de waarnemingen die wij doen via onze zintuigen. Alles waartegenover de mens zintuiglijk of geestelijk kan staan, alvorens het is begrepen, valt onder de waarneming. In alinea 7 van hoofdstuk 3 heeft Steiner overigens al aangegeven dat ‘De inhoud van gewaarwordingen, waarnemingen, aanschouwingen, de gevoelens, wilshandelingen, droom en fantasiebeelden, voorstellingen, begrippen en ideeën, alle mogelijke illusies en hallucinaties’ ons door het waarnemen worden gegeven. Ook in alinea 16 van hoofdstuk 4 geeft Steiner aan dat hij waarneming als een ruim begrip hanteert.  (Aan Steiner zijn definitie van waarneming is het volgende problematisch: 1) de waarnemingen van gevoelens, voorstellingen, begrippen en ideeën is niet controleerbaar. 2) Ook vallen het denken en het waarnemen op onderdelen samen)

Ga verder naar hoofdstuk 8 → 

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee.