Hoofdstuk 10

De naïeve – realist eist dat zijn zedelijke beweegredenen waarneembaar zijn. Deze worden voor de waarneming gegeven als: familie -, staats-, kerkelijke – en goddelijke autoriteit. Dit zijn graduele zedelijke beginselen van minder ontwikkeld naar meer ontwikkeld. (alinea 1) De hoogte ontwikkelingstrap van is die trap waarbij het zedelijke principe in het innerlijk wordt gedacht, zonder dat het verbonden is met een vreemd wezen. Dit stelt Steiner gelijk met het geweten (alinea 2).

Dan maakt Steiner de overstap naar het metafysisch realisme. Volgens het metafysisch – realisme liggen de zedelijkheidsnormen buiten de mens in een wereld an sich. (alinea 3) Er bestaan verschillende vormen: Mogelijkheid 1) In de wereld an sich bevindt zich het absolute. Dit absolute werkt volgens mechanische principes. Hieruit vloeien de zedelijke principes voort die de mens zich bewust wordt. Vrijheidsbesef is slechts een illusie, omdat de mens door mechanische werking genoodzaakt wordt. (alinea 4) Mogelijkheid 2) In de wereld an sich bevindt zich een goddelijk absoluut wezen. De zedelijke principes die de mens zich bewust wordt vloeien uit dit wezen voort. Ook in dit geval is vrijheid slechts een illusie.

Het monisme, Steiners filosofie, erkent het naïef realisme tot op zekere hoogte. De mens die niet in staat is zedelijke ideeën via intuïties te verwerven kan deze verwerven door de waarneming. In dat geval is de mens niet vrij. Als de mens echter wel de zedelijke ideeën via intuïties verwerft voel de mens zich vrij. Een onbewuste achter de waarneming verborgen dwang erkent de monist niet. (alinea 7) Volgens de opvatting van het monisme handelt de mens deels vrij, deels onvrij. Hij vindt zichzelf onvrij in de wereld der waarnemingen staan en hij brengt in zichzelf de vrije geest tot verwezenlijking. (alinea 8) De zedelijke wereldorde is volgens Steiner vrij mensenwerk. Verder merkt hij op dat een individu zijn eigen bijzondere doelen opvat. Zogenaamd gezamenlijke doelen van mensen zijn samenstellingen van individuele doelen. (alinea 9)

Het monisme van Steiner erkent wel de fysieke en historische begrensdheid van de mens. Het monisme ziet de mens als een zich ontwikkelend wezen. Bij de treden van de ontwikkeling bevindt zich ook de trede van een vrije mens. (alinea 10) Volgens het monisme van Steiner is de mens niet vrij als hij onder een fysieke drang of morele dwang handelt. Dit zijn doorgangsstadia van het menselijke handelen. Uiteindelijk kan de mens zich tot een vrij wezen ontwikkelen. Voor de aanhanger van het monisme is zedelijkheid een specifiek menselijke eigenschap en vrijheid voor de mens de vorm om zedelijk te zijn (alinea 12)

Ga verder naar hoofdstuk 11 → 

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee. Achter de cursieve tekst is het alineanummer van het hoofdstuk genoemd, hierdoor kan men ook als men een nieuwer exemplaar heeft de brontekst opzoeken.