Hoofdstuk 11

In hoofdstuk 11 gaat Steiner in op het begrip doelgerichtheid.

In alinea 1 geeft Steiner een definitie van het begrip doelgerichtheid. Iets is doelgericht als een voorstelling, begrip of idee van het gevolg bepalend inwerkt op de oorzaak. Daarbij is sprake van een volgordelijkheid. Het monisme van Steiner wijst het begrip doelgerichtheid op alle gebieden af, met uitzondering van het menselijke handelen (alinea 3).

In alinea 2 bewijst Steiner dat het begrip doelgerichtheid niet op dingen buiten het menselijke handelen van toepassing is. Als de mens iets wil zeggen over de volgordelijkheid van afzonderlijke waarnemingen, dan kan hij dat alleen door een waarneming op tijdstip 0 in verbinding te brengen met het begrip oorzaak en een waarneming op tijdstip 1 met het begrip gevolg. Bijvoorbeeld: de mens kan op tijdstip 0 een bloemkiem zien en op tijdstip 1 bloembladeren. Op grond daarvan kan hij tot conclusies komen over de wetmatige samenhang (de oorzaak gevolg samenhang). Zou de mens willen zeggen dat er sprake is van een doelmatige samenhang. Dan zou de mens moeten waarnemen hoe de voorstelling van de bloembladeren op de bloemkiem inwerkt. Zoiets kan de mens echter alleen waarnemen bij zijn eigen handelingen.

Op andere gebieden dan het menselijke handelen is het zinvol te zoeken naar natuurwetten (oorzaak-gevolg relaties), maar niet naar natuur doelstellingen. Op de vraag welk taak de mens in zijn leven heeft antwoordt het monisme van Steiner: die taak die de mens zich zelf stelt. (alinea 3)

Ga verder naar hoofdstuk 12 → 

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee.