Hoofdstuk 12

In hoofdstuk twaalf gaat Steiner eerst in op het verrichten van vrije handelingen, daarna wijst hij op overeenkomsten tussen het darwinisme en zijn monisme. Tot slot grijpt Steiner terug op vraagstukken uit hoofdstuk een.

In alinea 1 wijst Steiner erop dat de vrij mens handelt op grond van intuïties die hij zelf verworven heeft. Uit de begripswereld zondert de vrije mens een begrip af op basis van ideële gronden. Als de vrije mens op basis daarvan een handeling wil verrichten, dan moet hij het ideële omvormen in een concrete handeling. Dat gaat via de voorstelling. (alinea 2) Deze voorstelling wordt gewonnen door de fantasie. Dit noemt Steiner de morele fantasie (alinea 3).

De handeling die de vrije mens verricht werkt in op de waarneembare wereld. Met de handeling wordt niet een nieuwe waarneming gecreëerd, maar wordt de bestaande waarneming omgevormd. Om de bestaande waarneming te kunnen omvormen is het nodig dat de vrije mens kennis heeft van het werken van de waarnemingswereld en beschikt over kennis om deze wereld om te vormen. Dit noemt Steiner morele techniek (alinea 4). De kennis van de waarnemingswereld is gelijk aan kennis van de natuurwetten. (alinea 5).

De morele fantasie en het morele ideeënvermogen kunnen object voor het weten worden als zij door het individu via een handeling waarneembaar zijn. Zodra zij waarneembaar zijn, zijn zij onderdeel van de werkelijkheid en onderhevig aan de oorzaak-gevolg relatie. (alinea 6)

In alinea 8 schrijft Steiner dat zijn morele leer ogenschijnlijk in tegenspraak is met de evolutieleer. Steiner zou hiermee de volgende tegenspraak kunnen bedoelen: in de natuur kan het latere wel uit het eerdere worden verklaard en bij zijn morele leer kan het latere niet uit het eerdere worden verklaard. De tegenspraak is schijnbaar, omdat in de natuur het latere niet volledig uit het eerdere kan worden afgeleid (voorbeeld oeramnioten en reptielen). Dat zelfde geldt ook voor de morele ontwikkeling/evolutie. Er is een essentieel verschil. Bij de morele evolutie schept de individuele (vrije) mens datgene wat uit het eerdere volgt, in de natuur schept de natuur het latere uit het eerdere. (alinea 8 -10) De vrije mens is voor Steiner verenigbaar met een juist opgevatte evolutieleer. (alinea 16)

Dan grijpt Steiner terug op vrijheidsdefinities uit hoofdstuk een: Definitie 1) Vrij zijn is kunnen doen wat men wil. Definitie 2) Vrij zijn is naar believen kunnen begeren en kunnen niet begeren. Deze definities toetst Steiner aan zijn eigen definitie: Vrij zijn is de voorstellingen die aan het handelen ten grondslag liggen door de morele fantasie vanuit zichzelf bepalen. (alinea 17). Definitie 2 verwerpt hij, omdat vrijheid er dan in zou moeten bestaan, niet te kunnen willen wat men vanuit zichzelf wil. Definitie 1 vervalt ook voor hem, omdat veel belangrijker is dat, datgene wat ik wil uit mijzelf voortkomt en niet door iets wordt genoodzaakt. Als iemand door uiterlijke dwang of drang niet kan doen wat hij wil, dan wordt hij gedoemd tot nietsdoen of onvrijheid. Een uiterlijke factor die de innerlijke beweegreden van een mens wil beïnvloeden beoogt de mens onvrij te maken. (alinea 17 – 19)

Ga verder naar hoofdstuk 13 →

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee.