Hoofdstuk 13

In hoofdstuk dertien gaat Steiner in op de waarde van het leven.

In alinea 1 en 2 wordt het begrip ‘waarde’ beschreven met de woorden goed, kwaad, lust onlust, ellende, vreugde, smart etc. Steiner behandelt twee opvattingen, die van het optimisme en die van het pessimisme. (alinea 1 – 3)

Leibniz is een representant van de optimisten. Volgens hem is de wereld de best mogelijke wereld. Daaraan legt hij de volgende argumentatie ten grondslag: god is goed en wijs. Een goede god wil de beste wereld en een wijze god doorgrondt de wereld (weet welke de beste is). (alinea 4). Goed leven is voor Leibniz leven in overeenstemming met de wil van god. Volgens het optimisme is het leven waard te worden geleefd. (alinea 5)

Schopenhauer is een representant van het pessimisme. Volgens hem is de wereldgrond een blind willen/streven dat niet kan worden bevredigd. Een onbevredigd willen is lijden. Het beste wat men volgens Schopenhauer kan doen is wensen en behoeften onderdrukken. (alinea 6) Von Hartmann, een andere pessimist geeft, op basis van de ervaring, aan dat de onlust (het leed) in het leven overheerst. Het leed in de wereld is het lijden van god en het leven bestaat er in ons, en daarmee ook god, van het lijden te verlossen. (alinea 7 – 8) In tegenstelling tot het pessimisme van Schopenhauer leidt het pessimisme van Hartmann de mens tot een verheven doel. (alinea 9) In alinea 11 legt Steiner uit dat het streven op zich niet gelijktijdig ook lijden is. Pas als een streven niet wordt vervuld kan er sprake zijn van lijden. Steiner geeft aan Schopenhauer ongelijk heeft als deze stelt dat streven op zich een bron van lijden is. Volgens Steiner verschaft het streven naar het vervullen van een gewenst doel juist lust. (alinea 12) In alinea 13 laat Steiner zien dat lust of onlust niet per se het resultaat van een begeren zijn. Mensen kunnen ook lust of onlust ervaren zonder een daaraan voorafgaand begeren. Als men wil beoordelen of in het leven de lust of de onlust overheerst zou de volgende zaken in rekening moeten brengen, aan de zijde van de lust: de lust van het streven, de lust van het in vervulling gaan van een streven en de lust die aan een mens ten deel van vallen zonder voorafgaand streven. Aan de zijde van de onlust moet in rekening gebracht worden: de onlust door een gebrek aan streven (verveling), het niet in vervulling gaan van een streven en onlust die aan iemand ten deel valt zonder voorafgaand streven. (alinea 14) Dan vraagt Steiner: Wat is de juiste waardemeter om uit de debet en credit de balans op te maken? Volgens Von Hartmann is dat de verstandelijke interpretatie van het gevoel en volgens Steiner is dat het gevoel zelf. (Alinea 15) Von Hartmann en mensen die zo denken als hij kunnen van mening zijn dat er factoren zijn die de verstandelijke interpretatie verstoren en die weggewerkt dienen te worden om tot een goede berekening te komen. Een factor zou ik de karakter aanleg noemen. Bijvoorbeeld: iemand die eerzuchtig is zal momenten van succes meer laten meewegen dan momenten van falen. Deze vertroebeling die uit het karakter voortvloeit dient weggewerkt te worden van de balans. Een tweede vertroebelende factor is: lust die voortvloeit uit nastreven van illusies. Iemand die eerzuchtig is kan zich doelen stellen die door een meerderheid van mensen gewaardeerd worden. Maar, vaak is de mening van de meerderheid niet een juiste raadgever voor het doen van het goede. Daardoor kan de eerzuchtige zich in zijn streven door illusies laten leiden. De lust die voortvloeit uit illusies dient ook van de balans geschrapt te worden. (alinea’s 16 – 18) Het eerste beaamt Steiner het tweede beaamt hij niet, ieder gevoel dient meegewogen te worden, ook als het op een illusie gebaseerd is. (alinea 19) Indien de waarde van het leven bepaalt wordt op grond van de hoeveelheid lust of onlust maakt het niet uit waardoor die lust of onlust wordt opgewekt. Indien dat wel uitmaakt speelt bij de beoordeling van de waarde van het leven blijkbaar ook nog iets anders mee. Namelijk, de waarde die wordt toegekend aan het object waardoor de lust of onlust wordt opgewekt. (alinea’s 20 – 22). In alinea 23 vraagt Steiner: Is het gezonde verstand bij machte om de rekening op te maken? (Wat een veronderstelling van Von Hartmann is).  Zodra de rekening is opgemaakt dient het overschot aan lust of onlust ook ergens in het gevoel te worden aangewezen. Maar is het verstand daartoe bij machte. (alinea 24 – 25) Het overschot aan lust of onlust dient te worden waargenomen (aantoonbaar te zijn). (alinea 26)

Steiner is nu van mening dat de pessimisten een fout maken als zij de waarde van het leven gelijk stellen aan de hoeveelheid lust of onlust en verder van mening zijn dat de onlust overheerst. Steiner maakt daarbij een vergelijking met een bedrijf. Indien een bedrijf veel schulden heeft en geen krediet meer kan ontvangen stopt het bedrijf zijn activiteiten, gaat het failliet. Indien de onlust in het leven zou overheersen en er geen hoop meer is op een voldoende hoeveelheid lust zou je toch kunnen verwachten dat veel mensen voortijdig met het levensbedrijf zouden stoppen. Echter, het aantal mensen dat zelfmoord pleegt is veel kleiner dan de hoeveelheid mensen die moedig doorgaan. (alinea 26 – 27) Kortom: of de onlust overheerst niet wat de pessimisten beweren of de werkwijze van de pessimisten is onjuist (hoeveelheid lust en onlust bereken).

Verder is Steiner van mening dat het pessimisme van Von Hartmann op een vreemde manier tot de conclusie komt dat het doel van het leven er in bestaat ons, en daarmee god, van het lijden te verlossen. Dit zou volgens de pessimisten als volgt moeten geschieden: tijdens het leven komt de mens door ervaring en gezond verstand tot de ontdekking dat het nastreven van de bevrediging van egoïstische lust bevrediging niet haalbaar is. Dat inzicht zou de mens er toe moeten aanzetten zich, en daarmee ook god, van het lijden te verlossen. De mens zou dit gaan inzien als zijn plicht. (alinea 28 – 29)

In alinea 32 begint Steiners eigenlijke weerlegging van het pessimisme van Von Hartmann. In deze en in volgende alinea’s geeft Steiner het volgende aan: als de mens de waarde van zijn leven beoordeeld dan zal hij geen abstracte berekening maken van de hoeveelheid lust en van de hoeveelheid onlust. Volgens Steiner is dat niet een juiste graadmeter om de zin van het leven te beoordelen. De mens zal echter zijn behoefte afzetten tegen de bevrediging van die behoefte. Als een mens iets begeert en het begeerde wordt bevredigd dan zal hij tevreden zijn. Als het gene hij begeert, maar ten dele wordt bevredigd zal hij ten dele bevredigd zijn en zal er ook een onvrede bestaan. Als de bevrediging groter is dan de begeerte, dan kan daardoor ook onlust ontstaan in de mens. Bij het begeren kan de mens ook onlusten ervaren. Bijvoorbeeld: als ik een studie wil behalen, dan zal ik veel moeten leren en colleges moeten volgen. Tijdens mijn begeren kan ik dan tot de conclusie komen dat de met dat begeren gepaarde onlust te groot is. En, dan kan ik mijn begeren staken. Echter, voor de mens is niet relevant dat hij van te voren een berekening maakt van de totale lust en onlust. Voor de individuele mens is het actuele begeren van belang. (alinea 32 – 46)

In de laatste alinea’s geeft Steiner aan dat de mens ook kan begeren naar de verwerkelijking van zijn morele intuïties. Een werkelijk vrije mens kan dat. De waarde voor het leven van die mens zal afhangen van de mate waarin hij de verwerkelijking van zijn morele intuïties realiseert. Het pessimisme van Von Hartmann is min of meer in strijd met de opvatting van de mens. Want, vanuit een inzicht in het zinloze streven naar de bevrediging van zijn lust zou de mens tot het inzicht moeten komen dat het alleen zinvol is om te werken aan de bevrijding van het lijden. Echter, de mens kan ook lust ervaren bij de bevrediging van zijn morele intuïties. (alinea 47 – 53)

In de de aanvulling bij de nieuwe druk besluit Steiner met de woorden: Waarlijk zedelijk is, wat uit de mens dan wordt, wanneer hij het zedelijke willen als een deel van zijn volle mensenwezen in zichzelf tot ontplooiing brengt, zodat het doen van het onzedelijke hem voorkomt als het verminken, een mismaken van zijn eigen wezen.

Ga verder naar hoofdstuk 14 →

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee