Hoofdstuk 9

In hoofdstuk negen gaat Steiner eerst in op de menselijke constitutie. Daarna gaat hij nader in op het begrip ‘vrijheid’.

Steiner schrijft: als wij iets willen kennen over een waarneming dan is het noodzakelijk dat wij eerst iets waarnemen. Als wij dan over die waarneming nadenken verbindt zich het begrip met die waarneming. (alinea 1) Voor het denken geldt dit niet. Als wij het ‘denken’ willen kennen, is het noodzakelijk dat wij eerst begrippen denken over het denkproces (zie hoofdstuk 3). Deze begrippen treden ons tot bewustzijn. Daarna komen wij tot het begrip van het denken. (alinea 2) Het begrip van het denken wordt ons gegeven door een intuïtie. Een intuïtie is gelijk aan het zuiver in de geest verlopende bewuste beleven van een zuiver geestelijke inhoud (alinea 3).

Steiner vervolgt: als wij het denken kennen, dan kunnen wij ook de verhouding tussen lichaam en ziel enerzijds en het intuïtieve denken anderzijds kennen. Men komt dan tot inzicht dat lichaam en ziel geen invloed uitoefenen op het intuïtieve denken. Het intuïtieve denken heeft twee functies: 1) het dringt lichaam en ziel terug in de eigen werkzaamheid; 2) het stelt zichzelf daarvoor in de plaats. (alinea 4) Het intuïtieve denken drukt zich uit in de lichamelijke constitutie. (alinea 5)

Daarna gaat Steiner in op de relatie tussen het denken, het lichaam en het ik. Het ik is onderdeel van het intuïtieve denken. Wij krijgen echter ik – bewustzijn door de sporen die het denken in het lichaam van de mens achterlaat. Het ik – bewustzijn wordt daarna opgenomen in het denken. (alinea 6) Uit het ik – bewustzijn vloeien de wilshandelingen van de mens voort. (alinea 7)

Als er sprake is van een wilshandeling, dan is er ook sprake van een motief en een drijfveer. Het motief is een begrip of een voorstelling. De drijfveer is de wilsfactor die direct verband houdt met de constitutie van de mens. Het motief is de momentele beweegreden voor het willen. De drijfveer is de blijvende beweegreden van het individu. Begrippen en/of voorstellingen worden tot motieven doordat zij inwerken op de mens. Of een begrip of voorstelling tot motief wordt is afhankelijk van het karakter van de mens. (alinea 8) Het karakter van een mens is gelijk aan de som van voorstellingen en gevoelens van een mens. (alinea 9) Volgens Steiner zijn dit de elementen die van belang zijn voor een wilshandeling. Het motief is gelijk aan het doel van mijn handelen. De drijfveer verklaart het handelen. Bijvoorbeeld: ik stel mij zelf tot doel om een wandeling te maken. Ik doe dit omdat ik weet dat het maken van een wandeling gezond is en omdat ik gezond wil leven. (alinea 10)

Steiner onderscheidt het volgende: 1) De mogelijke subjectieve aanleg, die geschikt is, bepaalde voorstellingen en begrippen tot motieven te verheffen. 2) De mogelijke voorstellingen en begrippen, die in staat zijn mijn karakter zo te beïnvloeden, dat een wilsuiting volgt. 1 is gelijk aan de drijfveren 2 is gelijk aan de motieven. (alinea 11)

De drijfveer kan uit een van de volgende elementen bestaan:

  1. De directe waarneming, zonder gevoel of begrip, die tot willen aanzet. Dit duidt Steiner aan met drift. (alinea 13)
  2. Het voelen dat tot willen aanzet. Met een bepaalde waarneming wordt een gevoel in verbinding gebracht. Het gevoel is de drijfveer voor de handeling. (alinea 14)
  3. Begrippen en/of voorstellingen die tot willen aanzet, verbonden met waarnemingen. (alinea 15)
  4. Begrippen zonder betrekking op een waarnemingsinhoud, die tot willen aanzetten. Dit zijn intuïties die tot willen aanzetten. (alinea 16)

Voor een wilshandeling is echter ook een motief nodig. Een motief is een begrip of een voorstelling. (alinea 18) Steiner onderscheidt de volgende motieven:

  1. De voorstelling van een handeling voor het eigen of van andermans welzijn. De voorstelling van het eigen welzijn is voor Steiner gelijk aan egoïsme. (alinea 20)
  2. De zuivere begripsinhoud van een handeling gegrond in een systeem van zedelijke beginselen, zonder dat er sprake is van een begrijpen van het zedelijke systeem. (alinea 21)
  3. De zuivere begripsinhoud van een handeling gegrond in een systeem van zedelijke beginselen en het begrijpen van het zedelijke systeem. Dit noemt Steiner zedelijk inzicht. In aanmerking komen de volgende motieven: 1) het grootst mogelijke welzijn voor de gehele mensheid, zuiver ter wille van dit welzijn; 2) culturele vooruitgang of de zedelijke ontwikkeling van de mensheid.  (alinea 22)
  4. Een zuivere begripsintuïtie van een handeling zonder dat er sprake is van een vooraf geformuleerd zedelijk principe genoemd onder 3. (alinea 25)

Voor zowel de drijfveer als het motief gelden trappen van verbetering. Drijfveer 4 en motief 4 vallen volgens Steiner samen en leiden tot volledig individuele wilshandelingen. Voor dergelijke handelingen dient wel een conceptievermogen voor morele intuïties aanwezig te zijn. (alinea 26) Steiner noemt dit het ethische individualisme. (alinea 29).

In alinea 31 maakt Steiner een onderscheid tussen het willen van een handeling en het verrichten van een handeling. Ook schrijft hij dat er bij een handeling die verricht wordt op basis van een intuïtie geen sprake is van drang of dwang.

In alinea 33 schrijft Steiner dat het handelen zich van trap 1 naar trap 4 kan ontwikkelen. Van algemene handeling tot individuele handeling. Gedurende die ontwikkeling spelen normen een gerechtvaardigde rol.

Steiner schrijf: een handeling wordt als vrije daad aangevoeld, voor zover de beweegreden daarvan uit het ideële deel van mijn individuele wezen voortvloeit. Ieder ander deel van een handeling, onverschillig of dit uit een natuurdrang of onder dwang van een zedelijke norm wordt verricht, wordt als onvrij ervaren. (alinea 34)

Steiner geeft aan dat het begrip plicht de vrijheid uitsluit. De plicht erkent niet de individuele wil en onderwerpt deze aan een algemene norm. (alinea 36)

In alinea 37 gaat Steiner in op een bezwaar. Het bezwaar luidt: een samenleving is niet mogelijk wanneer een ieder slechts zijn individualiteit laat gelden. Steiner geeft aan dat de intuïties van de individuele mensen afkomstig zijn uit een en dezelfde ideeënwereld. Daardoor botsen de handelingen van individuele mensen niet met elkaar.

Het bestaan van de mens is niet zonder de mens zelf bepaald. Het begrip van zedelijke mens c.g. vrije mens is niet vooraf met het waarnemingsbeeld van de mens verbonden. De mens moet door zelfwerkzaamheid dit begrip met zichzelf verbinden. (alinea 41) Steiner schrijft: de natuur vormt de mens tot louter natuurwezen; de maatschappij maakt hem tot een wezen dat volgens wetten handelt; een vrij wezen kan alleen de mens van zichzelf maken. (alinea 43)

Ga verder naar hoofdstuk 10 → 

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee. Achter de cursieve tekst is het alineanummer van het hoofdstuk genoemd, hierdoor kan men ook als men een nieuwer exemplaar heeft de brontekst opzoeken.

Toelichting:

Een aantal situaties die relevant zijn voor de vrijheid behandelt Steiner niet:

  1. Steiner behandelt niet het geval waarbij sprake is van twee met elkaar strijdige motieven. Bijvoorbeeld: iemand rijdt naar zijn werk en moet blijven rijden om tijdig bij een belangrijke afspraak te zijn. Aan de kant van de weg ziet de bestuurder iemand zwaaien die hulp nodig heeft. De bestuurder kan ervoor kiezen de hulpbehoevende persoon te helpen (motief 1) of hij kan er voor kiezen om tijdig bij die belangrijke afspraak te zijn (motief 2). Het verwezenlijken van het ene motief sluit echter het andere motief uit. Hoe komt de bestuurder tot een keuze? Meer algemeen: hoe kom je tot een keuze bij meerdere, conflicterende, motieven? Steiner behandelt niet de samen gesteldheid van de dingen.
  2. Steiner schrijft in alinea 35 dat de plicht de vrijheid uitsluit. Maar hoe zit dat met plichten die ik zelf bedenk en aan mijzelf opleg?

Uit de tekst in alinea 38 blijkt dat Steiner zich liet inspireren door Max Stirner. Zie daarvoor ook de volgende Duitstalige website. In het artikel op de website worden delen van de Filosofie der Vrijheid vergeleken met het boek ‘Der Einzige und sein Eigentum‘ van Stirner.

Vraag voor later: Is de Gulden Regel een intuïtie waardoor je je kunt laten leiden? Logische representaties daarvan zijn:

  1. Wp –> Gp (Wil p –> Goed p)
  2. aWp –> aOp (a Wil p –> a Behoort te doen p)
  3. aWiRa –> aWaRi (a Wil iedereen doet R tegen a –> a Wil a doet R tegen iedereen)

Vragen: Zorgt logica voor intuïtieve helderheid? Bestaan plichten of bestaan waarden? Is ieder zedelijk oordeel ook een norm? Is wilskracht belangrijk voor vrijheid? Dienen wij de zedelijke wetten of dienen de zedelijke wetten ons?