Hoofdstuk 14

In het laatste hoofdstuk gaat Steiner nog in op een bezwaar tegen de opvatting dat de mens een vrije individualiteit kan zijn. Dat bezwaar bestaat er in dat de mens behoort tot een ras, geslacht, stam, volk of familie en dat de mens onderdeel is van een bepaalde maatschappij (Nederlandse of Japanse). Deze factoren zouden het doen en laten van de mens veroorzaken. (alinea 1 – 3)

Volgens Steiner kan de mens zich vrij maken van de bovengenoemde factoren. De mens maakt zich vrij als hij handelt op grond van een beweeggrond die slechts uit hem zelf kan worden verklaard. (alinea 4) In alinea 5 pleit Steiner ervoor om de positie van de vrouw te verbeteren. Volgens hem moet men niet naar een vrouw kijken en haar beoordelen vanuit de soort eigenschappen, maar zou men haar moeten beoordelen vanuit haar individuele eigenschappen. Ook tegenwoordig komt het voor dat mensen worden beoordeeld op grond van hun soorteigenschappen en niet op grond van hun individuele eigenschappen. Denk aan boeken als: Mannen komen van Mars vrouwen van Venus.

In alinea 6 schrijft Steiner dat men mensen wel kan beoordelen op grond van soort eigenschappen, maar dat men dan wel het deel mist waar mensen persoonlijkheden worden. Ieder mens komt zijn eigen intuïties die hij op zijn eigen wijze uitleeft in het leven. De intuïties liggen niet bij voorbaat vast. Als wij een dergelijke vrije mens willen begrijpen, dan dienen wij de intuïties van deze mens te begrijpen (alinea 7)

Steiner ontkent niet dat bepaalde handelingen van de mens ook uit de soort kunnen worden verklaard. Als de mens honger heeft dan is dat zeer wel vanuit een wetenschap te verklaren. Maar, zoals reeds in eerdere hoofdstukken beschreven kan de mens zich vrij maken uit de soortgebondenheid door zijn handelen te gronden in zijn eigen intuïties. (alinea 7 -8)

Bron: Steiner, R. (1982 (7) (1975)). Filosofie der Vrijheid. Servire B.V.: Katwijk aan Zee.